Over discriminatie

Wat zegt de wet over discriminatie?

Artikel 1 van de Grondwet is over discriminatie glashelder: het is verboden. Letterlijk zegt de wet:

“Allen die zich in Nederland bevinden worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

In totaal zijn twaalf discriminatiegronden in de wet vastgelegd: ras, geslacht, hetero- of homoseksuele gerichtheid, politieke overtuiging, godsdienst, levensovertuiging, handicap of chronische ziekte, burgerlijke staat, leeftijd, nationaliteit, arbeidsduur (fulltime of parttime) en soort contract (vast of tijdelijk). Word je onterecht ongelijk behandeld en heeft dat te maken met een van de bovenstaande discriminatiegronden, dan kun je een beroep doen op de wet.

Wet- en regelgeving

Artikelen in de Grondwet vormen de basis voor alle wetten en regels die in Nederland gemaakt worden. Ook artikel 1 is uitgewerkt in verschillende wetten en regels. De belangrijkste zijn de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) en verschillende artikelen in het Wetboek van Strafrecht.

De AWGB regelt dat iedereen gelijke kansen heeft op een baan, goede arbeidsvoorwaarden, een goede opleiding of een bepaalde dienst of een bepaald product. Als bijvoorbeeld een werkgever, ziekenhuisdirecteur of school iemand op basis van een irrelevant persoonskenmerk discrimineert, dan moet die zijn of haar discriminerende beslissing terugdraaien. En zo bepaalt het Wetboek van Strafrecht onder andere dat je geen uitlatingen mag doen die discriminerend zijn of die aanzetten tot haat of discriminatie. Ook mag je niet discrimineren in de uitoefening van je beroep en deelnemen aan activiteiten die gericht zijn op discriminatie.

Internationale regelgeving op het gebied van discriminatie

Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beschrijft fundamentele vrijheden en waarborgt het discriminatieverbod in artikel 14.

In artikel 26 formuleert het Internationaal Verdrag voor Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) een gelijkheidsgebod en een discriminatieverbod:/p>“Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke behandeling door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard dan ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.”

Aanwijzing discriminatie

Het belang van discriminatiebestrijding is groot. Iedere burger moet zich een volwaardig burger weten en voelen en gevrijwaard blijven van uitlatingen en handelingen die hem als lid van een vermeend minderwaardige groep bestempelen.
Discriminatie kent vele verschijningsvormen. In de artikelen 137c tot en met 137g en artikel 429 quater van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de grondvormen van discriminatie strafbaar gesteld, namelijk het in het openbaar beledigen, het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld en het bij de uitoefening van ambt, beroep of bedrijf discrimineren van personen wegens ras, godsdienst, levensovertuiging, geslacht, seksuele gerichtheid of handicap. In het vervolg van deze aanwijzing duiden we deze delicten aan met de term discriminatiefeiten.
Daarnaast worden er vele ‘gewone’ delicten gepleegd, waarbij discriminatoire aspecten – doorgaans als motief op de achtergrond – een rol spelen . Deze delicten worden aangeduid als ‘commune delicten met een discriminatoir aspect’ . Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt in commune delicten waarbij het discriminatoire aspect niet als zelfstandig feit ten laste kan worden gelegd en in commune delicten waarbij dat wel mogelijk is .
Alle voornoemde gedragingen zijn uitingen van onverdraagzaamheid jegens medemensen die uit maatschappelijk oogpunt niet getolereerd mogen worden.

Het Openbaar Ministerie (OM) heeft een belangrijke rol te vervullen in de bescherming van de samenleving tegen discriminatie. Het strafrecht biedt bij uitstek de mogelijkheid om mensen publiekelijk ter verantwoording te roepen en te straffen. Discriminatiezaken krijgen dikwijls veel media-aandacht en bieden het OM aldus een goede gelegenheid om de strafrechtelijke bijdrage aan de aanpak van het discriminatieprobleem voor het voetlicht te brengen.

In discriminatiezaken dient de strafrechtelijke handhaving, naast een civielrechtelijke en een bestuurlijk preventieve en bestuurlijk sanctionerende aanpak van discriminatie, een wezenlijke bijdrage te leveren aan de markering van de wettelijke norm. Om met effect strafrechtelijk te kunnen optreden is een eenduidig beleid en een actieve opstelling van het OM, de politie en de anti-discriminatievoorzieningen (ADV’s) noodzakelijk. Het OM moet een geloofwaardige en betrouwbare bondgenoot zijn in de strijd tegen de discriminatie.

Samenvatting

Deze aanwijzing stelt regels omtrent de opsporing en vervolging van discriminatie. Ingegaan wordt op:

  • De samenwerking tussen het OM, het lokaal bestuur, de politie en de ADV’s op politieregioniveau;
  • De verwerving van discriminatiezaken;
  • De afhandeling van aangiften en meldingen van discriminatie;
  • De vervolging van overtredingen van discriminatiebepalingen;
  • De benadering van aangevers/benadeelden (in de zin van artikel 51a Wetboek van Strafvordering (WvSv));
  • De terugkoppeling van de afdoening van zaken aan de politie en de ADV’s.

Arbowet en discriminatie

Sinds 2008 is het verbod op het maken van direct en indirect onderscheid (oftewel: discriminatie) ook opgenomen in de Arbowet. Discriminatie is toegevoegd aan de lijst van onderwerpen die onder psychosociale arbeidsbelasting vallen en die stress kunnen veroorzaken (net als seksuele intimidatie, agressie en geweld, pesten en werkdruk).

Dat betekent dat werkgevers de risico’s van discriminatie op de werkvloer in kaart moeten brengen en zo nodig een preventieplan moeten maken. Dat waren zij al verplicht via bovenstaande regelingen, maar het bleek dat daar weinig mee werd gedaan. Nu het in de Arbowet is opgenomen, kan de Inspectie SZW van de werkgever eisen dat hij een gericht beleid hierop voert. Geeft de werkgever hieraan geen gehoor, dan kan een boete volgen.